Kloosterlijst

Kloosterlijst. Beknopt overzicht van de Nederlandse kloosters tot 1800

Tertiarissenklooster in Elburg

Inleiding


Bookmark and Share

Inleiding
Voorgaande versies
Samenwerking met het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Herziening 2019
Archeologie
Uithoven en refugia, termijnhuizen, kapittels
Foto's
Kloosterkaart
Kort historisch overzicht
Toelichting op het gebruik
Thesaurus voor orde-aanduidingen

Inleiding

Deze Kloosterlijst wil antwoord geven op de vraag welke kloosters er in ons land tijdens de Middeleeuwen en in de Nieuwe Tijd zijn geweest, en welke dus niet. Het begrip ‘klooster’ wordt daarbij ruim genomen, zonder acht te slaan op kerkrechtelijke finesses die onderscheid maken tussen kloosters, conventen, huizen enzovoort. Alle gemeenschappen van mannen of vrouwen die voor een bijzonder religieus leven hebben gekozen, zijn in het hoofdbestand Kloosters opgenomen, inclusief de begijnhuizen en -hoven. Aan kloosters, conventen of religieuze huizen waarvan het bestaan op grond van de bronnen is komen vast te staan, is een unieke identificatiecode toegekend. Deze vormt de sleutel tot een record waarin – voorzover beschikbaar - enkele standaardgegevens zijn opgenomen (zie hieronder voor een toelichting op de structuur van het record). Over kloosters die in de moderne literatuur wel worden genoemd maar voor het bestaan waarvan geen bevestiging in de bronnen kon worden gevonden, is negatief beslist. Zij zijn opgenomen in een afzonderlijke Eliminatielijst, waarin de afwijzing telkens beknopt wordt beargumenteerd. Voor drie typen aan de kloosters verwante instellingen zijn afzonderlijke bestanden toegevoegd: voor Uithoven en refugia, voor Termijnhuizen en voor Kapittels (zie onder).

De aanleiding tot het samenstellen van de Kloosterlijst lag in de door veel gebruikers gevoelde onvrede over het enige als uitputtend bedoelde naslagwerk inzake Nederlandse kloosters uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, het Monasticon Batavum van M. Schoengen (1941/2). Schoengen is overleden voordat hij zijn naslagwerk kon voltooien. De redacteurs die zich hebben ingespannen voor het uitwerken van zijn aantekeningen, P.C. Boeren en D. de Kok, zijn daarin niet altijd geslaagd, met soms grote verwarring als gevolg. In het Monasticon Batavum is er bovendien voor gekozen elk stadium uit de geschiedenis van een klooster in een apart lemma onder te brengen, waardoor de gegevens over hetzelfde klooster soms erg verspreid terecht zijn gekomen. Recent onderzoek - zie vooral Van Engen (2006) - heeft de ogen geopend voor de verkloostering die zich met name in de vijftiende eeuw voordeed: veel religieuze huizen ondergingen stapsgewijs de ontwikkeling naar een steeds intenser kloosterleven en wisselden daarbij nogal eens van status of orde. In de Kloosterlijst krijgt elk klooster, zolang continuïteit van de kloosterbevolking mag worden aangenomen, niet meer dan één lemma (artikel, record). Daarbinnen worden dan diverse stadia onderscheiden. Alleen wanneer de oude bewoners integraal door nieuwe worden vervangen, wordt een nieuw lemma ingevoegd.

De Kloosterlijst is geen monasticon. Anders dan in het Monasticon Batavum of bijvoorbeeld het meer recente Monasticon Windeshemense is geen uitputtende analyse van de geschiedenis van elk klooster nagestreefd en evenmin een volledige opgave van bronnen of literatuur. Slechts enkele basisgegevens worden verstrekt, zodat de gebruiker geörienteerd raakt en de weg gewezen krijgt naar voortgezet eigen onderzoek. Literatuur die al is vermeld in het Monasticon Batavum wordt, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen, en hetzelfde geldt voor gedetailleerde bronvermeldingen. Daar staat tegenover dat in de Kloosterlijst systematisch kan worden gezocht op orde, plaats (‘parochie’), aliasnaam, patroonheilige, middeleeuws bisdom, historisch gewest (afzonderlijk voor Middeleeuwen en Nieuwe Tijd), en gender, en op combinaties daarvan; bovendien op begin- en einddatum.

Dit betekent dat bestaande monastica hun functie blijven behouden; er wordt in het hoofdbestand Kloosters dan ook systematisch naar verwezen. Dit betreft het Monasticon Windeshemense voor de regulieren en regularissen van Windesheim, het Monasticon Fratrum Vitae Communis voor de broeders des gemenen levens, Van Dijk (2007b) voor de kloosters aangesloten bij de colligatie van Sibculo, Van Eeghen (1941) voor de Amsterdamse vrouwenkloosters, Gruijs (1975) voor de kartuizen, Van Moolenbroek (1985) voor de cisterciënzer vrouwenkloosters, Nyberg (1965) voor de birgittijnse kloosters, Kunzelmann (1972) voor de augustijner eremieten, Roggen (1995) voor die van de clarissen, Schlegel en Hogg (2004/5) wederom voor de kartuizen, Simons (2001) voor de begijnhuizen en -hoven in het zuiden van ons land, Tromp (1989) en Hillenga en Kroeze (2011) voor de kloosters in Groningen en de Ommelanden, Wolfs (1984) en (1988) respectievelijk voor de dominicanen en dominicanessen, en Jacobs (2011) voor de karmelieten en karmelitessen. Recent verscheenn Holt (2015), een publieksboek over de cisterciënzers met een stevige wetenschappelijke basis, en Hoebens (2017), een fraai uitgevoerd overzicht over de kloosters in Limburg: ook deze zijn verwerkt. Merkwaardig is dat voor de franciscanen geen samenhangend monasticon is verschenen. Het oude overzicht van Schoengen (1927) was al in het Monasticon Batavum verwerkt, en in de jaren ’50 verschenen afzonderlijke artikelen over de meeste franciscaanse kloosters in de Bijdragen voor de Geschiedenis van de Provincie der Minderbroeders in de Nederlanden: deze literatuur wordt hier eveneensgenoemd. Ook zijn verwijzingen opgenomen naar het digitale Monasticon Trajectense voor de tertiarissen in het bisdom Utrecht, dat nog in opbouw is (http://www2.fgw.vu.nl/oz/monasticon/ ). Voor veel categorieën kloosters is het Monasticon Batavum op dit moment nog steeds het enige wetenschappelijke naslagwerk. De samensteller van deze Kloosterlijst spreekt de hoop uit dat zijn werk als controle en correctie op het Monasticon Batavum zal functioneren. Parallel aan de Kloosterlijst is voor de kloosters tot 1800 nu ook het digitale naslagwerk van het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven beschikbaar. Op de verhouding tussen de Kloosterlijst en de encyclopedie van het ENK wordt hieronder en in het document ‘Kloosters voor en na 1800’ (zie Menu) nader ingegaan.

Voorgaande versies

In december 2008 werd de eerste versie van de Kloosterlijst op het web gezet. Daarna zijn, voorafgaande aan de huidige herziening, revisies verschenen in april 2010, september 2012, winter 2014/5,zomer 2016 en maart 2017. Vanaf het begin is Ben Stuyvenberg als ict-er bij het project betrokken.

In de loop van de tijd zijn onjuistheden en slordigheden gecorrigeerd, opengebleven velden verder ingevuld, en nieuw ontdekte relevante literatuur toegevoegd. Ook werd het aantal zoekmogelijkheden uitgebreid.De velden, oorspronkelijk aangeduid met tweeletterige sigla, kregen voluit geschreven benamingen. In september 2012 onderging de Eliminatielijst een forse uitbreiding nadat was gebleken dat kloosters die ten onrechte voorkomen op de Kaart van de Kerkelijke Indeling door Muller, Joosting, Van Veen en Beekman – onderdeel van de Geschiedkundige Atlas van Nederland (1915-1923) – en die reeds door Schoengen al dan niet stilzwijgend naar het rijk der fabelen waren verwezen, toch weer de kop dreigden op te steken.

Bij opeenvolgende herzieningen werden de records van het hoofdbestand met enkele velden uitgebreid. Toegevoegd zijn de numerieke velden ‘Eerste Vermelding’ en ‘Laatste Vermelding’, die een chronologische zoekactie via het zoekmenu mogelijk maken. De jaartallen in deze beide velden zijn ongekwalificeerd: voor een toelichting moeten steeds de velden ‘Stadia’ en ‘Beëindiging kloosterleven’ worden geraadpleegd. In het veld ‘MeMO’ wordt verwezen naar de digitale database Medieval Memoria Online, die in januari 2013 werd gelanceerd.Vermeld worden nu ook de huidige gemeenten, het voorkomen van een klooster op de desbetreffende kaart van Jacob van Deventer, en de opneming in het register van Rijksmonumenten. Aan het veld ‘Stadia’ is een veld ‘Filiatie’ toegevoegd waarin voor elk klooster gegevens zijn ondergebracht met betrekking tot de rol van eerder bestaande kloosters in zijn ontstaansfase.

Nieuw zijn sinds de winter van 2014/5 de foto’s die bij een groot aantal kloosters zijn opgenomen. Ze hebben de bedoeling de gebruiker te attenderen op overblijfselen van de kloosters die nog in de publieke ruimte zichtbaar zijn.

Aan de kloosterbeschrijvingen werden vier velden toegevoegd om aan gegevens over archeologische status en activiteiten een plaats te geven. Voorlopig konden die alleen voor de provincie Noord-Holland worden ingevuld.

Bij de laatste herzieningen is het principe dat beschrijvingen (pas) worden gesplitst bij discontinuïteit van de kloosterbevolking systematischer doorgevoerd. Dit had met name gevolgen voor kloosters van franciscanen waar de invoering van de observantie met verdrijving van de oude kloosterbevolking gepaard ging. Een voorbeeld is Kampen: er zijn nu twee lemmata voor de Kamper franciscanen (K01 en K14).

In de zomer van 2016 is de Kloosterlijst uitgebreid met een apart bestand met (seculiere) kapittels. De belangrijkste verandering bij de laatste voorgaande revisie, die van maart 2017, werd gevormd door de lancering van de interactieve Kloosterkaart via UBVU/ Geoplaza (zie onder).

Samenwerking met het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven

De Kloosterlijst is ontstaan als bijproduct van wetenschappelijk onderzoek naar aspecten van de Nederlandse kloostergeschiedenis. De gebruikers waarop de lijst zich richt zijn in eerste instantie de vakgenoten. Inmiddels is duidelijk geworden dat de Kloosterlijst ook een meer publieke functie kan vervullen. Sinds de zomer van 2015 wordt samengewerkt met het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in Cuijk – Sint Agatha (http://www.erfgoedkloosterleven.nl/ ).

Onder regie van Marga Arendsen werken medewerkers daar aan een digitaal naslagwerk voor de kloosters in Nederland vanaf 1800, bestemd voor een breed publiek. Het plan werd opgevat om dat naslagwerk uit te breiden met een onderdeel over de Middeleeuwse kloosters dat op de Kloosterlijst is gebaseerd. Toon Smeenk heeft de omvangrijke taak op zich genomen om de beschrijvingen van de VU-Kloosterlijst aan te passen voor hergebruik in het naslagwerk van ‘Sint Agatha’. Dit leidde in de zomer van 2016 en het voorjaar van 2017 al tot de verwerking van een groot aantal correcties en aanvullingen in de Kloosterlijst zelf. De voorspoedige voortgang van deze werkzaamheden gaf aanleiding tot het voornemen om in beide naslagwerken dan ook beschrijvingen op te nemen van de kloosters uit de tussenliggende periode (ca. 1600-1800).

Herziening 2019

De herziene versie die nu (zomer 2019) op het web wordt geplaatst, en die als definitief is bedoeld, bevat weer enkele belangrijke vernieuwingen. In de eerste plaats is nu ook de periode van de Republiek verwerkt. In de zeventiende en achttiende eeuw ontstond er een veertigtal nieuwe kloosters in ons land, die nu een eigen beschrijving hebben gekregen. Ruim zeventig uit de Middeleeuwen stammende kloosters zetten hun bestaan tijdens de Republiek voort: waar nodig zijn de beschrijvingen daarop aangepast. Het tijdsbereik van de Kloosterkaart is verlengd met de zeventiende en de achttiende eeuw.

In de laatste voorgaande versies waren al vier velden met archeologische gegevens toegevoegd, maar nog grotendeels leeg gelaten. In deze nieuwe versie zijn ze systematisch ingevuld.

Het bestand met Uithoven is sterk uitgebreid (dankzij inbreng van het ENK). De talrijke beslissingen die moesten worden genomen om locaties wel of niet in de Uithovenlijst op te nemen, leidden ook hier tot een reeks eliminaties. Die zijn, met kort commentaar, toegevoegd aan de Eliminatielijst. De Uithoven zijn nu ook aan de Kloosterkaart gekoppeld, en hetzelfde geldt voor de Kapittels.

Gelijktijdig met de lancering van deze nieuwe versie van de VU-Kloosterlijst wordt het naslagwerk ‘Kloosters in Nederland’ van het ENK uitgebreid met records voor alle kloosters tot 1800. Die hebben een andere opzet dan de records van deze Kloosterlijst, met als belangrijk verschil dat in de ENK-versie korte verhalende teksten zijn toegevoegd. Inhoudelijk zijn de beide versies zo goed mogelijk gecoördineerd. De records in het naslagwerk van het ENK zijn standaard voorzien van verwijzingen (geen hyperlinks) naar die van de VU-Kloosterlijst , en omgekeerd is aan de Kloosterlijst een veld met referenties naar het ENK toegevoegd.

Archeologie

Opgravingen en archeologische waarnemingen hebben in onze middeleeuwse kloosters ook vroeger al wel plaatsgevonden, maar dankzij het Verdrag van Malta (1992) is dit onderzoeksterrein in een stroomversnelling geraakt. Oudere monastica hadden nog weinig aanleiding om aandacht te besteden aan materiële bronnen voor het middeleeuwse kloosterleven. In recentere naslagwerken komt de registratie van archeologische gegevens wel op gang. Toch wordt de integratie tussen schriftelijke en materiële bronnen nog bemoeilijkt door de overgeleverde disciplinaire tweedeling tussen geschiedschrijving en archeologie. Daarom doet de Kloosterlijst een poging om deze splitsing te doorbreken. Met de verwerking van de stand van zaken op archeologisch gebied was in de laatste voorgaande versies al een begin gemaakt, maar het grootste deel van het werk hieraan is verricht in de periode 2017-2019.

Voor de archeologische gegevens zijn vier velden gereserveerd. Het eerste veld bevat verwijzingen (geen hyperlinks) naar de nummers op de Archeologische Monumentenlijst. Deze nummers zijn ook te vinden op de Archeologische Monumentenkaart die door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op het Internet is geplaatst: https://archeologieinnederland.nl/amk-en-ikaw. Het tweede veld registreert de status die officieel aan archeologische sites is toegekend: van archeologische waarde, van (zeer) hoge archeologische waarde, eventueel beschermd. In het derde veld is een korte omschrijving te vinden van de aard van de archeologische activiteiten en het jaar waarin ze hebben plaats gevonden. Voor de jongere activiteiten is daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de professionele aanduidingen zoals die tussen 2001 en 2003 zijn ontwikkeld ten behoeve van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en in 2007 vastgelegd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. Het vierde veld vermeldt de archeologische literatuur, waarvoor een aparte bibliografie aan de Kloosterlijst wordt toegevoegd.

Dank komt toe aan Ivonne Lempke te Culemborg, die me welwillend haar databestand ter hand stelde, zodat met de verwerking van de archeologische gegevens een begin kon worden gemaakt. Toen deze verwerking in een gevorderd stadium was, stelde de RCE te Amersfoort een omvangrijk excerpt uit de gegevensbestanden van Archis ter beschikking. Dit betekende zowel een welkome onafhankelijke controle op de al verzamelde gegevens als een aanvulling daarop.

Uithoven en refugia, termijnhuizen, kapittels

Sinds de herziening van september 2012 is de Kloosterlijst uitgebreid met enkele nieuwe deelbestanden, een met uithoven en refugia en een met termijnhuizen. Een deel van de verwarring die in de oudere literatuur heerst rond de identificatie van kloosters, is ontstaan doordat vermeldingen van dergelijke onzelfstandige kloosternederzettingen zijn opgevat als aanduidingen voor het bestaan van zelfstandige kloosters: in de eliminatielijst was daarover al het een en ander te vinden. Het lag nu voor de hand aan de Kloosterlijst overzichten van deze afhankelijke monastieke nederzettingen toe te voegen.

Uithoven (in Groningen‘voorwerken’ genoemd en in het Latijn grangiae) ontstonden met de opkomst van de cisterciënzers en norbertijnen vanaf omstreeks 1100. De kloosters van deze nieuwe orden verwierven veel afgelegen agrarische bezittingen. Waar die geclusterd lagen, was het mogelijk uithoven te stichten: steunpunten voor directe agrarische exploitatie bemand door conversen (lekebroeders). Zie bijvoorbeeld Rösener (1982); Dekker (1982) 191vv; Lohrmann (1983); Mol (1991a) 175vv en Mol (2014 [2015]). Niet zelden groeiden dergelijke uithoven na verloop van tijd uit tot zelfstandige kloosters. Zo is het Duitse huis van Schoten (S16) begonnen als uithof van Nes (N05), zie Mol (1991a) 176; Selwerd (G34) werd gesticht op een uithof van Dikninge (I02): Tromp (1989) 23. Ook het omgekeerde kwam voor. Bakkeveen (B01) begon als uithof van Mariëngaarde (H27), werd toen een zelfstandige priorij van de norbertijnen, maar verloor die zelfstandigheid na 1343 en werd opnieuw uithof van Mariëngaarde.

Voor de identificatie en opneming van de uithoven moesten, evenals dat bij de kloosters zelf het geval was, talrijke beslissingen worden genomen. Voor verschillende grote plattelandskloosters kon op monografieën worden teruggevallen; een voorbeeld is Van Bavel (1993) voor Mariënweerd (B02). De grootste concentraties uithoven komen voor in de provincies Groningen, Friesland en Zeeland (met Zeeuws-Vlaanderen). Voor Zeeland beschikken we over de diepgaande studies van Gottschalk (1983) en (1984) en van Dekker (1982). Aan de uithoven in Friesland is een aparte kaartlaag in HISGIS Fryslân gewijd. Lastiger bleek de situatie voor Groningen (de Ommelanden). In Siemens (1962) is een uitvoerige en van fraai gekleurde kaarten voorziene reconstructie van de middeleeuwse kloostergoederen opgenomen. Deze gegevens zijn verwerkt door Tromp (1989) en vormen nu ook een aparte kaartlaag ‘kloostergoederen Groningen’ in HISGIS Fryslân (http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/fryslan/fryslan) . Schroor heeft in (1996) en (1997) de achttiende-eeuwse kaarten van de landerijen van Land en Stad uitgegeven, waarvan de voormalige kloostergoederen een belangrijk deel uitmaken. Maar noch de reconstructie door Siemens, noch de door Schroor uitgegeven kaarten geven een vlakdekkende opsomming van de voorwerken. De beheerseenheden op de achttiende-eeuwse kaarten zijn eerder de ‘plaatsen’ of ‘heerden’, de zetels van de beklemde meiers. Maar deze eenheden corresponderen niet met de middeleeuwse voorwerken. Tromp daarentegen vermeldt wel een groot aantal voorwerken, maar zonder nauwkeurige verantwoording. Voor de methode om deze zo goed mogelijk te achterhalen kan men terecht bij de behandeling door Mol van de kloostergoederen van Aduard (F04) in Van Moolenbroek, Mol en Loer (2010). Voor Groningen leek het al met al raadzaam aan de voorzichtige kant te blijven en tamelijk veel vermeldingen van voorwerken naar de eliminatielijst te verwijzen.

Grote plattelandskloosters bezaten tevens vaak stadshoven die als stapelplaatsen en verkooppunten dienden: Mol (1991a) 175; zie ook Van Bavel (1993) 28. Toen tegen het eind van de Middeleeuwen de directe agrarische exploitatie binnen het uithovenstelsel minder belangrijk werd, verschoof de functie van dergelijke stadse vestigingsplaatsen naar die van refugium: een pied-à-terre binnen de veilige stadsmuren. Met name in de tijd van de Opstand namen talrijke kloostergemeenschappen hun toevlucht tot een dergelijk refugium.

In het deelbestand met uithoven en refugia zijn ook basisgegevens opgenomen van (strong>hoven die zich in het bezit hebben bevonden van oude benedictijner abdijen (zelf gewoonlijk gelegen buiten onze huidige landsgrenzen). Het gaat hier om hoven in de zin van het domaniale stelsel: eenheden van indirecte agrarische exploitatie waaraan ook rechtsmacht verbonden kon zijn. De benedictijnen bewerkten deze hoven dus niet zelf, maar gaven ze in handen van een wereldlijke villicus of meier, die zich in de loop van de tijd ten opzichte van het klooster kon verzelfstandigen. Zie bijvoorbeeld Dekker (1982) 66-80 en (1983) 27-29; 98-126. Na het jaar 1100 raakte dit type in onbruik toen de verre abdijen hun grondbezit in ons land afstootten.

Met het deelbestand van de termijnhuizen bevinden we ons in de sfeer van de bedelorden: franciscanen, dominicanen, karmelieten en augustijner eremieten. De kloosters van deze orden lagen vrijwel altijd in grotere, centraal gelegen steden. Van daar uit trokken de monniken er in de omgeving op uit om te prediken, biecht te horen en te bedelen, waarbij ze zich hielden aan de grenzen van het district dat hun door de ordesprovincie was toegewezen. ‘In zo’n terminus of termijngebied werden na verloop van tijd, in Vlaanderen omstreeks 1300, domus terminarie of termijnhuizen ingericht, soms niet meer dan een paar kamers in een bestaande woning, waar de broeders terminarii konden overnachten. In later eeuwen verbleef zo’n termijnbroeder quasi permanent in zijn termijnhuis’: Simons (1987) 187.

Sinds zomer 2016 bevat de database een afzonderlijk bestand met (seculiere) kapittels. Kapittels zijn kerkelijke instellingen bevolkt door mannen – meestal, maar soms ook door vrouwen – die een (min of meer) gemeenschappelijk leven leiden waarin het bidden van de zeven getijden centraal staat, maar die niet de drie kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid afleggen. In plaats daarvan was hun leefwijze gebaseerd op de leefregel van Aken van 816. Kapittels waren vaak aan aanzienlijke kerken verbonden. De term ‘kapittel’ voor dit type instelling raakte overigens pas in de twaalfde eeuw in gebruik. Een synoniem is ‘stift’; de bewoners van zo’n instelling worden aangeduid als ‘kanunniken’ en ‘kanunnikessen’. Het gaat bij deze ‘kapittels’ dus om lokale instellingen, en niet om kapittels in de zin van bovenlokale verbanden van kloosters die tot eenzelfde orde behoren (zoals in ‘Kapittel van Windesheim’).

In de Nederlandse wetenschappelijke literatuur is het gebruikelijk kapittels en kloosters strikt gescheiden te houden, en in eerdere veries van de Kloosterlijst is die gewoonte ook gevolgd. Bij de herziening van 2016 is besloten de kapittels toch op te nemen, om twee redenen. In de ons omringende landen, en met name in Duitsland, worden kapittels gewoonlijk wel vermeld in Klosterbücher en vergelijkbare overzichtswerken. Bovendien vonden ook in ons land overgangen van een kerkelijke instelling van het klooster- naar het kapitteltype plaats, en omgekeerd. Zo waren aan de kerk van Meerssen eerst kanunniken verbonden, die echter in de loop van de twaalfde eeuw geleidelijk werden vervangen door benedictijnen (M25). Daarentegen gingen de adellijke benedictinessen van Thorn (T03) in de loop van de tijd steeds meer de leefwijze van stiftsdames volgen. Aan het eind van de rooms-katholieke periode werden de Sint-Servaasabij (U07) en nog vier andere Utrechtse vrouwenkloosters omgezet in vrouwenkapittels, voortaan bewoond door protestantse juffers; zie Van Kalveen (1997). Voor de kapittels in het middeleeuwse bisdom Utrecht is sinds 2014 het uitvoerige repertorium van Jan Kuys beschikbaar. Voor die in het zuiden van het land heb ik gebruik gemaakt van enkele publicaties van Arnoud-Jan Bijsterveld, die ook zo vriendelijk was aanvullend ongepubliceerd materiaal toe te zenden. Voor de vroege kapittelstichtingen is Van Vliet (2002) onmisbaar. De beschrijvingen zijn beknopt gehouden. Kapittels speelden een relatief grote rol in de middeleeuwse memoria: niet minder dan vijftig van de ongeveer zeventig kapittels komen voor in MeMO: daarvoor is een apart veld opgenomen

Foto's

Sinds de herziening van winter 2014/5 worden foto’s toegevoegd aan de beschrijving van die kloosters waarbij nog van enigerlei herkenbaarheid in het openbare domein sprake is. Plaatsen van herinnering aan onze middeleeuwse kloosters zijn er in verschillende soorten. Slechts bij een kleine minderheid van de kloosters staat nog een substantieel deel van de gebouwen overeind. De Abdij van Middelburg (M28) spant hierbij de kroon, ondanks de ingrijpende restauratie die nodig was na het bombardement van 1940. Het andere uiterste wordt gevormd door die kloosters waarvan alleen – al dan niet opgemetselde – fundamenten over zijn, zoals het Sint-Jansklooster (tertianen van Sint-Janskamp) in het Land van Vollenhove (V14). Vaker dan gedacht gaan in monumentale gebouwen uit de Nieuwe Tijd bouwdelen schuil die tot de Middeleeuwen teruggaan. Voorbeelden zijn het Weeshuis aan de Spieringstraat in Gouda, dat resten van het Margarethaklooster van regularissen bevat (G13) en het Rode Weeshuis aan de gelijknamige straat in Groningen, waarin onderdelen van het Oldeconvent (G41) zijn bewaard. De beste kans op overleven hadden de kloosterkapellen, waarvoor vaak een andere bestemming te vinden was. Een voorbeeld is de Agnietenkapel in Amsterdam (A26), die als Universiteitsmuseum dienst doet. Ook bij dergelijke kapellen is de oorspronkelijke vorm vaak moeilijk herkenbaar, als gevolg van functionele aanpassing zoals bij de Begijnhofkerk in Haarlem (H03) of als resultaat van een ingrijpende restauratie, zoals bij de Goudse Agnietenkapel (G20). Een curieus overblijfsel is de waterput van het Agnesconvent van tertiarissen in Oldenzaal (O08), die werd ontdekt naar aanleiding van de bouw van een parkeergarage en die daarin nu is opgenomen. Soms zijn zichtbare overblijfselen te vinden op een andere plek dan men zou verwachten. Het convent van de tertiarissen van Sint-Catharina in Almelo (A15) heeft in die plaats zelf geen sporen nagelaten. Maar toen de religieuzen vandaar in 1667 werden verdreven, herstichtten zij hun klooster als Maria Vlucht op de Glaan juist over de Duitse grens: die plek kan nog worden bezichtigd. Een ander klooster dat voortbestond tot diep in de tijd van de Republiek, is het regularissenklooster Nazareth te Waalwijk (W01). Daarvan is een barok toegangspoortje over, dat nu is ingebouwd in de toren van de imposante parochiekerk van Sint-Jan de Doper (die overigens vrijwel op dezelfde plaats staat).

Vaak is het alleen een straatnaam die aan een voormalig klooster herinnert. Voorbeelden van een ‘Bagijnenstraat’ of ‘Kloosterweg’ zijn legio. Origineler is het Amsterdamse ‘Gebed zonder End’, een doodlopend straatje dat de herinnering aan de tertiarissen van Sint-Clara (A27) bewaart. Soms wordt niet het klooster zelf herdacht, maar een markante kloosteroverste, zoals priorin Machteld van Meteren bij de Delftse norbertinessen van Koningsveld (D02). Een enkele keer is de naam van een klooster verbasterd in een straat- of streeknaam terechtgekomen maar toch welbekend: Bartlehiem (O23). Een recente trend is het levendig houden van de herinnering aan een klooster door er een modern opvolgergebouw naar te vernoemen, zoals de Agnietenburgh in Kampen (K07); hoewel dit ook vroeger al wel voorkwam, zoals het toegangspoortje van het woonzorgcentrum de Beyart in Maastricht (M20) bewijst. Niet zelden zijn het boerderijnamen waarin een klooster voortleeft; een voorbeeld is de Waterlooze Werve op Walcheren, dat naar het voormalige klooster van cisterciënzerinnen (A01) verwijst.

Van een andere categorie zijn de informatiepanelen die op veel plaatsen – vaak onder auspiciën van de ANWB – zijn aangebracht. Een voorbeeld betreft de norbertijnen van Kuzemer (O05). De informatie op dergelijke panelen is wel eens misleidend: zo worden de bewoonsters van het Haarlemse tertiarissenconvent Sint-Ursula als ‘Ursulinen’ aangeduid (H08).

Enkele bijzondere plaatsen van herinnering zijn in de meest recente tijd ingericht. Bij de parochiekerk in Albergen plaatste de Werkgroep St. Antoniusklooster een fraaie bronzen maquette, met toelichting ook in brailleschrift, ter herinnering aan het klooster van regulieren (O15). Opgravingen op het terrein van het regulierenklooster Nieuwlicht te Westerblokker (W20) leidden tot het opmetselen van een poortje waarin een teruggevonden sluitsteen werd verwerkt. Eveneens in Westerblokker werden de stoffelijke resten die bij de opgraving van het Bethlehemklooster van regularissen (W21) te voorschijn kwamen, plechtig herbegraven in een tombe bij de dorpskerk die wordt afgedekt door een beeldengroep. Hier en daar houdt een modern kunstwerk de herinnering aan een voormalig klooster levendig, zoals in Deventer (D25) en in Scharnegoutum (S03).

Dit overzicht eindigt met drie speciale gevallen. Het klooster van de regulieren van Hemsdonk in de Alblasserwaard (B29) werd gesticht op een donk (rivierduin) in het veenlandschap. Het klooster is verdwenen, maar de donk is nog altijd goed te zien. Aan het regulierenklooster Mariënborn of –daal onder Oosterbeek (O11) herinnert niet alleen de naam van het landgoed dat daar nu ligt, maar ook de grafsteen die als tafelblad dienst doet ten gerieve van picknickgasten: De Stenen Tafel. De regularissen van Renkum (R07) hadden hun klooster bij een bedevaartskapel ter ere van Maria. Over hun terrein loopt nu een provinciale weg, maar het beeldje uit de kapel kan nog altijd worden vereerd, in de twintigste-eeuwse kerk van OLV Tenhemelopneming in het dorp Renkum.

Kloosterkaart

Na de publicatie in 2016 van een proefversie die de situatie van circa 1500 weergaf, is de Kloosterkaart in zijn huidige vorm in het voorjaar van 2017 op het web gezet. Kenmerkend daarvoor is zijn interactief-diachrone karakter, dat wil zeggen dat gezocht kan worden met een glijdende tijdsschaal. De Kloosterkaart is vervaardigd onder regie van de Universiteitsbibliotheek van de VU in de persoon van de conservator Kaarten en Atlassen Lida Ruitinga; ontwerp en programmering zijn het werk van Peter Vos. De kaart is geplaatst op Geoplaza, de door UBVU onderhouden portal voor GIS-gerelateerde bestanden. De records uit de Kloosterlijst kunnen vanuit de Kloosterkaart direct worden opgeroepen.

De lancering van een nieuwe versie van de Kloosterlijst in 2019 brengt ook een aanpassing van de Kloosterkaart met zich mee. De tijdsdimensie is uitgebreid en omvat nu ook het kloosterleven van de zeventiende en achttiende eeuw, zowel dat van de kloosters uit de Middeleeuwen die werden gecontinueerd, als dat van de kloosters die in de Nieuwe Tijd nieuw zijn ontstaan. Opvallend is het grote aantal (vaak gedwongen) verplaatsingen. Daarnaast zijn twee subsets van gegevens uit de Kloosterlijst voor het eerst in de Kloosterkaart verwerkt, die met betrekking tot de Kapittels en tot de Uithoven. De gegevens voor de kapittels zijn diachroon, op dezelfde voet als die voor de kloosters. Voor de uithoven zijn de gegevens in het algemeen te schaars om ze in de tijd te kunnen plaatsen; daarom worden ze synchroon benaderd. De kaart toont alleen de uithoven bij de kloosters die op dat moment zijn geselecteerd. Het is ook mogelijk om het verband tussen individuele kloosters en de bijbehorende uithoven zichtbaar te maken.

Deze Kloosterkaart komt in de plaats van de kloosterkaart die door S. Muller Hzn e.a. in 1921-1923 is gepubliceerd in de Geschiedkundige Atlas van Nederland van A.A. Beekman. Het Monasticon Batavum (1941-1942) was niet van een begeleidende kaart voorzien. Sindsdien heeft het onderzoek niet stilgestaan: de belangrijkste publicaties die per klooster worden genoemd in de Kloosterlijst zijn ook zo goed mogelijk verwerkt in deze Kloosterkaart. Er is verder systematisch rekening gehouden met de stadsplattegronden van Jacob van Deventer uit circa 1560 (moderne edities door Koeman, Visser en Van der Krogt, 1992-2001; en Rutte en Vannieuwenhuyze, 2018; zie ook de website van de Biblioteca Nacional de España). Voor de noordelijke provincies, in het bijzonder Friesland, kon worden teruggevallen op de HISGIS site van de Fryske Akademy in Leeuwarden. De kaart ‘Kloosters omstreeks 1300’ in De Bosatlas van de Geschiedenis van Nederland (p. 119) berust op de gegevens in De Nijs en Kroeze (2008-2011), waarin het recente onderzoek niet systematisch is verwerkt.

Ten behoeve van de plaatsbepaling was in de Kloosterlijst al een veld gereserveerd voor (globale) coördinaten volgens het Rijksdriehoeksstelsel, zoals raadpleegbaar in de Grote Topografische Atlas van Nederland 1:50.000. Het Kadaster hanteert het stelsel van de Rijksdriehoekmeting als coördinatenstelsel van Nederland. Het wordt ook toegepast op de Archeologische Monumentenkaart. Dit veld is nu geplaatst bij het blokje met velden voor de archeologische gegevens. Voor de plaatsing van de kloosters, kapittels en uithoven op de Kloosterkaart is gebruik gemaakt van de geografische coördinaten die ontleend zijn aan de internationaal geldende graden Noorderbreedte en Oosterlengte. De records voor de kapittels en de uithoven bevatten velden voor de graden Noorderbreedte en Oosterlengte.

De items zijn als punten weergegeven, niet als vlakken. De reden is dat slechts bij een minderheid van de instellingen de omtrek van het kloosterterrein enigermate nauwkeurig bekend is; en dan nog zou een keuze voor vlakken op dit moment te tijdrovend zijn geweest. Indien bekend, is de plek van de kapel aangehouden. Als ondergrond van de kaart kan gekozen worden tussen de OpenStreetMap in een standaard- en een gestileerde versie, Bing Road (een topografische kaart van Bing Maps) en Bing Aerial. Deze laatste geeft een satelliet-luchtfoto als achtergrond, waarop de huidige bebouwing goed te zien is.

-indien de exacte locatie van een klooster onbekend is, dan is het geplaatst bij de parochiekerk (dit is met name bij veel vroege begijnhuizen het geval)

Iconen geven de verschillende orden aan waartoe de kloosters en religieuze huizen hebben behoord. Ze zijn gegroepeerd in enkele grote categorieën, die elk een eigen kleur hebben: regel van Benedictus, regel van Augustinus, regel(s) van Franciscus, geestelijke ridderorden, overige regels, en religieuze huizen zonder erkende regel. De plaatsing van het kruisje boven en/of onder het icoon geeft aan of het een mannen-, een vrouwen- of een dubbelklooster betreft. Verandert een klooster tussentijds van orde, dan wordt dit ook zichtbaar in de wisseling van het icoon. Kapittels worden aangeduid door het icoon voor de seculiere kanunniken met een extra rode markering. Voor uithoven wordt een uniform symbool gebruikt; de koppeling aan het desbetreffende klooster wordt zichtbaar door omcirkeling.

Het is belangrijk te bedenken dat bij het projecteren van de gegevens uit de Kloosterlijst op de kaart nuances kwamen te vervallen en voor onzekerheden een oplossing moest worden bedacht. Daarom zijn een aantal conventies toegepast:
-indien de exacte locatie van een klooster onbekend is, dan is het geplaatst bij de parochiekerk (dit is met name bij veel vroege begijnhuizen het geval)
-uithoven konden dikwijls slechts bij benadering worden gesitueerd; er is dan gekozen voor een snijpunt op de Topografische Atlas 1:50.000
-indien bij kloosters met tussentijdse veranderingen de datum van de eerste fase niet bekend is, dan wordt deze geplaatst één jaar voor het eerst bekende jaartal. Zie bv U03 (Oostbroek): 1113 -> 1112
-indien een stadium exact wordt gedateerd maar met een meerjarenperiode (type 1402-1405*: de stichtingsfase beslaat de jaren 1402-1405) wordt voor de kaart het laatste jaar gehanteerd
-een datering van het type ‘1450* of 1454*’ (bv W01, Waalwijk): het laatste jaar, dus 1454
-dateringen van het type ‘ca. 1405’ of ‘1405?’: de modificatie wordt weggelaten
-type ‘tussen 1397 en 1410’: het laatste jaar wordt gehanteerd
-type ‘kort na 1400’: 1401
-‘14e eeuw’: 1350
- tertiarissenconventen zijn vaak voortgekomen uit zusterhuizen des gemenen levens, zonder dat het tijdstip waarop dat gebeurde bekend is. Niet zelden is de lijst van 1555 – zie Van Heel (1936) - de eerste attestatie van de nieuwe status (bv W16: Jonge Hof te Weesp). Analogie met vergelijkbare tertiarissenconventen leert dat zo’n overgang toch vermoedelijk al in de vijftiende eeuw heeft plaatsgevonden. Er is dan een conventioneel jaar ingevoerd, zoals 1450 of 1475
-in de tijd van de Opstand vinden veel fusies van kloosters plaats, waarbij de inwoners van het ene naar het andere klooster verhuizen. In de verbale velden van de Kloosterlijst staat dan zowel bij de ontvangende als bij de ontvangen gemeenschap een notitie. De kaart gaat alleen door met het ontvangende klooster.

Kort historisch overzicht

Ter oriëntatie volgt hier een beknopt overzicht van de historische ontwikkeling van het kloosterwezen in Nederland. Vergeleken met de omringende landen is dit in het huidige Nederland laat tot ontwikkeling gekomen. Wel hebben ‘buitenlandse’ abdijen hier al vroeg bezittingen gehad, die soms als hoven waren georganiseerd. Maar het aantal kloosters dat zich voor 1100 in ons land zelf vestigde, is zeer gering. In de Karolingische tijd ontstond differentiatie tussen kloosters met de regel van Benedictus en seculiere kapittels die de regel van Aken volgden.

In de twaalfde en dertiende eeuw kwamen de nieuwe plattelandsorden tot ontwikkeling, met mannen- en vrouwenkloosters – en vooral in de begintijd een aanzienlijk aantal dubbelkloosters – van reguliere kanunniken, cisterciënzers en norbertijnen. De noordelijke provincies en het zuidwesten namen hierbij het voortouw. Deze kloosters hadden – wat de koormonniken en -nonnen betreft – een adellijk karakter. Maar ze telden ook grote aantallen conversen (lekebroeders), die de landerijen bewerkten; het grondbezit was veelal georganiseerd in uithoven. Kenmerkend met name voor de norbertijnen en de reguliere kanunniken is dat zij taken in de zielzorg binnen de plattelandsparochies op zich namen. In deze periode vestigden zich ook de geestelijke ridderorden in ons land, waarbij de Duitse Orde in het algemeen een voorsprong had op de johannieters. Aan het vroege jaartal dat voor de johannieter commanderij in Utrecht wordt vermeld (1122), mag getwijfeld worden. De Duitse Orde telde in ons land naast priesters ook ridders met een adellijke achtergrond. In de commanderijen van de johannieters woonden alleen priesters. Het aantal nederzettingen van tempeliers bleef beperkt tot één, hooguit twee (Alphen; A60 en Zaamslag; Z39), maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de wonderbare tempelierenvermenigvuldiging in de latere legende (zie de eliminatielijst).

Volledigheidshalve volgt hier een opsomming van incidentele vestigingen in de dertiende eeuw: de magdalenen, een orde van gevallen vrouwen, waarvan de kloosters spoedig naar andere orden zijn overgegaan; de wilhelmieten, een orde met een eremitische (kluizenaars-) inslag, gesticht door Willem van Malaville; de antonieten, oorspronkelijk een broederschap met een verpleegtaak in verband met het antoniusvuur en georganiseerd naar analogie van de ridderorden; de victorinnen, reguliere kanunnikessen gelieerd aan het hervormingsklooster Sint-Victor bij Parijs; en de aan de kartuizers verwante caulieten, genoemd naar de oorspronkelijk vestiging Val-des-Choux in Bourgondië.

In de loop van de dertiende eeuw gingen ook de steden een rol spelen als vestigingsplaats van religieuze gemeenschappen. De internationale bedelorden zochten de bevolkingscentra op, waarbij het grootste aandeel werd genomen door de franciscanen en de dominicanen. De augustijner eremieten, de karmelieten, de eksterbroeders en de zakbroeders waren met kleinere aantallen conventen vertegenwoordigd, en laatstgenoemde twee orden verdwenen alweer toen ze door het concilie van Lyon verboden werden (1271).

Ook het fenomeen van de begijnen gaat op de dertiende eeuw terug. Op hen is het predikaat 'eerste religieuze vrouwenbeweging' van toepassing. Hun achtergrond moet in de stedelijke burgerij worden gezocht, die ook het draagvlak vormde voor de bedelorden. In het westen en zuiden kwamen begijnhoven tot stand zoals die in het tegenwoordige België nog bestaan; er is dan in het algemeen maar één begijnhof per stad. In het oosten woonden ze in begijnhuizen, waarvan er per stad meerdere tegelijk konden bestaan. Dit patroon overheerste in het Duitse Rijnland, maar uit het Repertorium van Simons (2001) wordt duidelijk dat het aanvankelijk ook in het zuidwesten van de historische Nederlanden voorkwam.

Gedurende het eerste driekwart van de veertiende eeuw ging de groei van het aantal kloosters in een langzamer tempo. De begijnen kregen enkele huizen van begarden, hun mannelijke tegenhangers, naast zich, maar gingen door een diepe crisis als gevolg van de besluiten van het Concilie van Vienne (1311). Kortstondig waren er een paar vestigingen van lazarieten, die verwant waren met de geestelijke ridderorden. De toename van het aantal johannieter commanderijen zette door. Eveneens in de veertiende eeuw maakte Nederland voor het eerst kennis met de kartuizers en de kruisheren (bij de laatstgenoemde ging het om de ‘Belgische’ kruisheren, die Hoei als bakermat hadden). Opvallend was het grote aantal nieuw gestichte seculiere kapittels, waarvoor wereldlijke regionale en lokale heren verantwoordelijk waren. Als gevolg van veranderingen in de agrarische economie maakte bij de plattelandsorden de directe eigen exploitatie door middel van uithoven plaats voor indirecte exploitatie door verpachting.

Vanaf de laatste decennia van de veertiende eeuw beleefde Nederland niets minder dan een monastieke revolutie, evenals trouwens de omliggende gebieden Brabant, Luik, Nederrijn en Westfalen. Deze omwenteling bevatte een kleine actieve component: vanuit het zuiden bereikten ons in deze periode de cellebroeders, die zich aan de verpleging wijdden. Overigens heeft in ons land de inzet van religieuzen voor de verpleging geen hoge vlucht genomen; het aantal gemeenschappen van hospitaalzusters was minimaal. In overwegende mate had de ontplooiing van het kloosterleven tegen 1400 dus een contemplatief karakter. Hiervoor was de Moderne Devotie verantwoordelijk, die men traditioneel laat beginnen met het publieke optreden van Geert Grote van Deventer (1379-1383). De Moderne Devotie was een stedelijk fenomeen; ook als nieuwe kloosters van regulieren zich op het platteland vestigden, hadden ze gewoonlijk nauwe banden met de burgerij van een nabije stad. Het IJsseldal geldt als de bakermat van de beweging, die hier vanwege een uitzonderlijk rijke historiografische overlevering goed is gedocumenteerd. Maar het westen van Nederland (Holland en het Nedersticht) nam vanaf het begin een gelijkwaardig aandeel; de urbanisatie had hier in de voorgaande decennia een hoge vlucht genomen.

De Moderne Devotie in strikte zin kreeg haar neerslag in drie typen religieuze vestigingen. De broeders en zusters des gemenen levens woonden samen zonder een kerkelijk erkende regel; formeel waren zij dus leken. De tertianen en tertiarissen volgden de Derde Regel van Franciscus. Die was oorspronkelijk bedoeld geweest voor leken in de wereld, maar werd nu gehanteerd als leefregel voor religieuze gemeenschappen. Over hun status – leek of religieus – bestond destijds en bestaat ook nu nog veel verwarring. Een volledig kloosterlijk leven, gebaseerd op de klassieke drie geloften, werd geleid door de reguliere kanunniken en kanunnikessen. In de kloosterlijke tak was er een numeriek overwicht van mannen. Maar in de niet-kloosterlijke takken domineerden de vrouwen, met name bij de tertiarissen: er kan hier van een ‘tweede religieuze vrouwenbeweging’ worden gesproken.

Het beginstadium van de Moderne Devotie werd gekenmerkt door experimenten. Het ‘gemene’ (gemeenschappelijke) leven werd dikwijls stapsgewijs ingevoerd: vaak ging er een fase aan vooraf waarin broeders of zusters wel religieus samenwoonden maar met handhaving van privébezit. Hier en daar ontstonden priestergemeenschappen die zich al dan niet ontwikkelden tot huizen van broeders des gemenen levens. Al vanaf 1399 gingen veel zusterhuizen over naar de tertiarissenstatus, soms wel soms niet met behoud van privébezit, maar met een belofte van kuisheid die in de oorspronkelijke Derde Regel niet was voorzien. De regulieren vormden vanaf 1395 het Kapittel van Windesheim. Een kwart eeuw later kwam daar het kleinere Hollandse Kapittel of Kapittel van Sion naast, dat zijn oorsprong had in enkele tertianenconventen die naar de regel van Augustinus overgingen. De tertianen en tertiarissen hadden al vanaf 1401 een eigen koepel, het Kapittel van Utrecht. Het werkgebied daarvan was beperkt tot het bisdom Utrecht; voor het bisdom Luik kwam daar in 1441 het Kapittel van Zepperen bij. Rectoren van broeder- en zusterhuizen kwamen regelmatig bij elkaar in het Colloquium van Zwolle.

De Moderne Devotie was, zeker wat de kloosterlijke tak betreft, een observantiebeweging waarin terugkeer naar de getrouwe navolging van de regel (die van Augustinus) centraal stond. Er is aanleiding om aan het begrip ‘Moderne Devotie’ een nog wat grotere uitbreiding te geven dan de genoemde drie takken. De moderne devoten zelf oriënteerden zich sterk op de kartuizers, bij wie nooit regelverslapping was opgetreden en die in ons land parallel aan de Moderne Devotie een opvallende uitbreiding meemaakten. De kruisheren voerden in 1410 een hervorming in observante geest door, geïnspireerd door de Moderne Devotie. De cisterciënzers kregen een observante tak in de gedaante van de Colligatie van Sibculo, die eveneens voortkwam uit de Moderne Devotie. Verder absorbeerde deze beweging ook een aantal bestaande begijnhuizen (maar lang niet alle). In de loop van de vijftiende eeuw werden oudere kloosters van reguliere kanunniken – met name in Friesland – hervormd vanuit Windesheim, waarbij ze hun status als dubbelklooster moesten opgeven.

Afgezien van de vestiging van een zestal kloosters van de orde van Sint-Birgitta – in principe waren dit dubbelkloosters, conform de wens van de stichteres – en van enkele kloosters van sepulcrijnen en sepulcrinessen – hun bestaansrecht was gelegen in de bevordering van de verering van het Heilig Graf van Jeruzalem - werd de verdere vijftiende eeuw gekenmerkt door drie trends. Allereerst doorliepen binnen de sfeer van de Moderne Devotie veel kloosters, in wisselend tempo, een proces van claustralisatie: eenvoudige gemeenschappen met een lekenachtergrond namen eerst de derde regel van Franciscus aan, lieten zich vervolgens besluiten en gingen uiteindelijk in veel gevallen over naar een echte kloosterregel. De stimulans tot deze ontwikkeling kwam tegelijk van onderop, vanuit de zusters zelf, en van bovenaf. De reis van de pauselijke gezant Nicolaas van Cusa van 1451 leidde in veel gemeenschappen tot de min of meer gedwongen aanneming van de regel van Augustinus. Vanaf circa 1459 gingen ook de cellebroeders naar deze regel over; ze kregen gezelschap van een aantal conventen van cellezusters.

Een tweede fenomeen was in deze periode de enorme toename van het aantal ‘low budget’-kloosters, waartoe men trouwens ook veel tertiarissenconventen al kan rekenen. De meeste waren te vinden in de steden, maar ze kwamen ook voor op het platteland, onder meer dat van Friesland. Deze kloosters beschikten over weinig inkomen uit onroerend goed en renten, zodat de zusters moesten werken voor hun brood, vaak in de textielbranche. Ze hadden daarom geen tijd voor het koorgebed, waartoe ook hun eenvoudige ongeschoolde afkomst hen ongeschikt maakte. Een groot aantal van deze kloosters leefde vanaf het midden van de eeuw eveneens volgens de regel van Augustinus, maar werd - bij ontbreken van koorzusters – dan alleen bewoond door conversinnen. Hun zielzorg ontvingen ze meestal van de – toch al overbelaste - mannenkloosters van de kapittels van Windesheim en Sion, maar aan volledige incorporatie viel niet te denken.Van enkele kloosters staat het vast dat ze bestemd waren voor conversinnen, bekeerde vrouwen, in engere zin: ex-prostituées.

Ten slotte kwam kort voor het midden van de eeuw een nieuwe golf van observantisme op gang, die ditmaal de bedelorden betrof, met name de franciscanen en de dominicanen. Bij de franciscanen leidde deze tot de vestiging van een netwerk van nieuwe kloosters onder vicarissen, dat wil zeggen onder een parallelle organisatie binnen de ordeprovincie. Slechts weinige bestaande kloosters gingen tot deze observantie over, en die dan in sommige gevallen nog kwaadschiks, met verdrijving van de oude kloosterbevolking. Bij de dominicanen ging het geleidelijker; hier ontstond de observante Hollandse Congregatie. Beide observante orden gaven de stoot tot een ‘eigen’ netwerk van tertiarissenconventen; die van de franciscanen sloten zich niet aan bij het uit de Moderne Devotie voortgekomen Kapittel van Utrecht. Aan franciscaanse zijde kwamen er ook kloosters van ‘arme’ clarissen; de ‘rijke’ claren waren in ons land nauwelijks vertegenwoordigd. De observantie in de bedelorde genoot de bijzondere gunst van de Bourgondische en Habsburgse landsheren.

Vanaf het tweede decennium van de zestiende eeuw was de bloei van het kloosterwezen voorbij. Nieuwe stichtingen kwamen nauwelijks nog voor, van de bestaande kloosters kwamen er vele in de problemen. De roepingen liepen terug, en hetzelfde geldt voor de begunstiging door particulieren en overheden. Stadsbesturen en de centrale regering in Brussel draaiden voor de religieuzen de fiscale duimschroef aan. Kloosters werden soms al opgeheven lang voor het begin van de Opstand, of ze werden tot fusie gedwongen. De oprichting van nieuwe bisdommen in 1559 werd mede bekostigd door ruim van goederen voorziene mannenklooster bij de kathedrale kapittels te incorporeren.

Voor een groot deel van Nederland kwam het einde met de Opstand tegen Spanje en de installatie van de gereformeerde religie als publieke godsdienst. De chronologie van dit proces volgde de politiek-militaire loop der gebeurtenissen en verschilde dus per gewest of streek. De kloosters werden opgeheven, de mannelijke kloosterlingen voor de keuze tussen een eed van trouw of vertrek gesteld, voor de vrouwelijke werd een alimentatieregeling ontworpen. De goederen en inkomsten van de kloosters werden meestal toegewezen aan instellingen in de charitatieve sfeer, en voorzover de gebouwen nog stevig overeind stonden, kregen ook zij een nieuwe bestemming.

In enkele gebieden werd het kloosterleven nog voortgezet tot diep in de zeventiende en zelfs tot in de achttiende eeuw. Twente ging enkele malen heen en weer tussen Spanje en de Republiek en werd pas met de Vrede van Münster (1648) definitief bij de provincie Overijssel gevoegd. De aanhechting van Staats-Vlaanderen, het huidige Zeeuws-Vlaanderen, werd voltooid met de herovering van Hulst door de Republiek in 1645. In deze regio’s wisten kloosters hun bestaan nog enige tijd te rekken.

Nog ingewikkelder was de situatie in de huidige provincies Noord-Brabant en Limburg. ’s-Hertogenbosch werd in 1629 door de Republiek veroverd, waarop ook heel de Meierij onder het gezag van de Staten-Generaal kwam. Door de Maasveldtocht van 1632 kreeg de Republiek vaste voet in Maastricht. En in 1637 werd Breda, dat in 1625 weer onder Spaans gezag was gebracht, terugveroverd door de Republiek. De aangehechte gebieden werden als Generaliteitslanden bestuurd vanuit de Verenigde Provincies. Maar dit betekent niet dat Noord-Brabant en Limburg in hun tegenwoordige gedaante in hun geheel een protestants regime kregen opgelegd. In Noord-Brabant lagen enkele buitenlandse enclaves: Megen, Gemert, Boxmeer en met name het Land van Ravenstein. Hier kon het rooms-katholieke kloosterleven nog worden voortgezet; uit de Meierij verdreven klooster vonden er hun toevlucht. De Baronie van Breda en het Land van Cuijk behoorden wel bij de Republiek, maar werden als min of meer zelfstandige heerlijkheden bestuurd door het huis van Oranje, dat er de kloosters de hand boven het hoofd hield.

De provincie Limburg bestond als zodanig nog helemaal niet. De noordelijke helft werd gevormd door Opper-Gelre, dat onderdeel was van de Zuidelijke Nederlanden totdat het bij de Vrede van Utrecht (1713) in drieën werd gedeeld: een Oostenrijks, een Pruisisch en een Staats gedeelte. Elk van deze deelgebieden kende een eigen religieus regime. Andere onderdelen van ‘Limburg’ behoorden bij Gulik of bij het prinsbisdom Luik. De verovering van Maastricht maakte geen eind aan het tweeherig karakter van die stad: naast de Republiek als opvolger van de hertog van Brabant hield ook de bisschop van Luik er gezag, zodat het kloosterleven er intact bleef. De Landen van Overmaze (Valkenburg, ’s-Hertogenrade en Dalhem) werden bij het Partagetractaat van 1661 elk verdeeld in een Staats en een Habsburgs gedeelte.

Tegen deze achtergrond konden ruim zeventig uit de Middeleeuwen stammende kloosters ten zuiden van de grote rivieren hun bestaan in de Nieuwe Tijd voortzetten, niet zelden opgejaagd van de ene verblijfplaats naar de andere. Bovendien ontstond een veertigtal nieuwe kloosters, meestal behorend tot jonge, met de Contra-Reformatie verbonden orden, zoals die van de kapucijnen en de jezuïeten bij de mannen, de annuntiaten, de ongeschoeide karmelitessen (theresianen), de penitenten-recollectinen van de Reform van Limburg, en de ursulinen bij de vrouwen. Het einde kwam in de laatste decennia van de achttiende eeuw. In 1773 hief paus Clemens XIV onder druk van ‘verlichte’ Europese vorsten de orde van de jezuïeten op. De kloosterwetgeving van de Oostenrijkse keizer Jozef II (1783) schafte alle niet-actieve kloosters af; dat werd in ons gebied met name in Roermond gevoeld. Met de successievelijke inschakeling van de rest van het zuiden in het revolutionaire Frankrijk werd daar de op opheffing gerichte Franse wetgeving van kracht.

Toelichting op het gebruik

Toelichting op het gebruik per augustus 2019 [pdf 26 kb]

Thesaurus voor orde-aanduidingen

Voor de aanduiding van de orden waartoe de kloosters behoorden is de gangbare terminologie gebruikt. In de literatuur komt men nogal eens vrouwenconventen ‘van de derde orde van Augustinus’ tegen. In Goudriaan (2008) wordt betoogd dat een dergelijke orde in ons land in de Middeleeuwen niet heeft bestaan. Het gaat om ‘low budget’ vrouwenkloosters die de (standaard-)regel van Augustinus volgden, maar waar alleen conversinnen (lekenzusters) aanwezig waren en koorzusters ontbraken. Als overkoepelende benaming is in dergelijke gevallen de term ‘regularissen’ gebruikt. Waar bekend is dat een klooster alleen door conversinnen werd bewoond, is dat in het veld Stadia vermeld: zie bijvoorbeeld G20.

Thesaurus voor orde-aanduidingen per oktober 2019 [pdf 12 kb]

Bookmark and Share