Kloosterlijst

Beknopt overzicht van de Nederlandse kloosters in de Middeleeuwen

Tertiarissenklooster in Elburg

Inleiding


Bookmark and Share

Inleiding
Voorgaande versies
Herziening zomer 2016
Uithoven en refugia, termijnhuizen, kapittels
Foto's
Kloosterkaart
Toelichting op het gebruik
Thesaurus voor orde-aanduidingen

Inleiding

Deze Kloosterlijst wil antwoord geven op de vraag welke kloosters er in ons land tijdens de Middeleeuwen zijn geweest, en welke dus niet. Het begrip ‘klooster’ wordt daarbij ruim genomen, zonder acht te slaan op kerkrechtelijke finesses die onderscheid maken tussen kloosters, conventen, huizen enzovoort. Alle gemeenschappen van mannen of vrouwen die voor een bijzonder religieus leven hebben gekozen, zijn in het hoofdbestand Kloosters opgenomen, inclusief de begijnhuizen en -hoven. Aan kloosters, conventen of religieuze huizen waarvan het bestaan op grond van de bronnen is komen vast te staan, is een unieke identificatiecode toegekend. Deze vormt de sleutel tot een record waarin – voorzover beschikbaar - enkele standaardgegevens zijn opgenomen (zie hieronder voor een toelichting op de structuur van het record). Over kloosters die in de moderne literatuur wel worden genoemd maar voor het bestaan waarvan geen bevestiging in de bronnen kon worden gevonden, is negatief beslist. Zij zijn opgenomen in een afzonderlijke Eliminatielijst, waarin de afwijzing telkens beknopt wordt beargumenteerd. Voor drie typen aan de kloosters verwante instellingen zijn afzonderlijke bestanden toegevoegd: voor Uithoven en refugia, voor Termijnhuizen en voor Kapittels (zie onder).

Met deze lijst is een belofte ingelost die in Goudriaan (2005) was gedaan. De aanleiding tot het samenstellen van de Kloosterlijst lag in de door veel gebruikers gevoelde onvrede over het enige als uitputtend bedoelde naslagwerk inzake Nederlandse kloosters uit de Middeleeuwen, het Monasticon Batavum van M. Schoengen (1941/2). Schoengen is overleden voordat hij zijn naslagwerk kon voltooien. De redacteurs die zich hebben ingespannen voor het uitwerken van zijn aantekeningen, zijn daarin niet altijd geslaagd, met soms grote verwarring als gevolg. In het Monasticon Batavum is er bovendien voor gekozen elk stadium uit de geschiedenis van een klooster in een apart lemma onder te brengen, waardoor de gegevens over hetzelfde klooster soms erg verspreid terecht zijn gekomen. Recent onderzoek - zie vooral Van Engen (2006) - heeft de ogen geopend voor de verkloostering die zich met name in de vijftiende eeuw voordeed: veel religieuze huizen ondergingen stapsgewijs de ontwikkeling naar een steeds intenser kloosterleven en wisselden daarbij nogal eens van status of orde. In de Kloosterlijst krijgt elk klooster, zolang continuïteit van de kloosterbevolking mag worden aangenomen, niet meer dan één lemma (artikel, record). Daarbinnen worden dan diverse stadia onderscheiden. Alleen wanneer de oude bewoners integraal door nieuwe worden vervangen, wordt een nieuw lemma ingevoegd.

De Kloosterlijst is geen monasticon. Anders dan in het Monasticon Batavum of bijvoorbeeld het meer recente Monasticon Windeshemense is geen uitputtende analyse van de geschiedenis van elk klooster nagestreefd en evenmin een volledige opgave van bronnen of literatuur. Slechts enkele basisgegevens worden verstrekt, zodat de gebruiker geörienteerd raakt en de weg gewezen krijgt naar voortgezet eigen onderzoek. Literatuur die al is vermeld in het Monasticon Batavum wordt, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen, en hetzelfde geldt voor gedetailleerde bronvermeldingen. Daar staat tegenover dat in de Kloosterlijst systematisch kan worden gezocht op orde, plaats (‘parochie’), aliasnaam, patroonheilige, middeleeuws bisdom, historisch gewest, en gender, en op combinaties daarvan; bovendien op begin- en einddatum.

Dit betekent dat bestaande monastica hun functie blijven behouden; er wordt in het hoofdbestand Kloosters dan ook systematisch naar verwezen. Dit betreft het Monasticon Windeshemense voor de regulieren en regularissen van Windesheim, het Monasticon Fratrum Vitae Communis voor de broeders des gemenen levens, Van Dijk (2007b) voor de kloosters aangesloten bij de colligatie van Sibculo, Van Eeghen (1941) voor de Amsterdamse vrouwenkloosters, Gruijs (1975) voor de kartuizen, Van Moolenbroek (1985) voor de cisterciënzer vrouwenkloosters, Nyberg (1965) voor de birgittijnse kloosters, Kunzelmann (1972) voor de augustijner eremieten, Roggen (1995) voor die van de clarissen, Schlegel en Hogg (2004/5) wederom voor de kartuizen, Simons (2001) voor de begijnhuizen en -hoven in het zuiden van ons land, Tromp (1989) en Hillenga en Kroeze (2011) voor de kloosters in Groningen en de Ommelanden, Wolfs (1984) en (1988) respectievelijk voor de dominicanen en dominicanessen, en Jacobs (2011) voor de karmelieten en karmelitessen. Recent verscheen Holt (2015), een publieksboek over de cisterciënzers met een stevige wetenschappelijke basis: ook dit is verwerkt. Merkwaardig is dat voor de franciscanen geen samenhangend monasticon is verschenen. Het oude overzicht van Schoengen (1927) was al in het Monasticon Batavum verwerkt, en in de jaren ’50 verschenen afzonderlijke artikelen over de meeste franciscaanse kloosters in de Bijdragen voor de Geschiedenis van de Provincie der Minderbroeders in de Nederlanden: deze literatuur wordt hier eveneens genoemd. Ook zijn verwijzingen opgenomen naar het digitale Monasticon Trajectense voor de tertiarissen in het bisdom Utrecht, dat nog in opbouw is. Voor veel categorieën kloosters is het Monasticon Batavum nog steeds het enige naslagwerk. De samensteller van deze Kloosterlijst spreekt de hoop uit dat zijn werk als controle en correctie op het Monasticon Batavum zal functioneren.

Voorgaande versies

In december 2008 werd de eerste versie van de Kloosterlijst op het web gezet. Daarna zijn, voorafgaande aan de huidige herziening, revisies verschenen in april 2010, september 2012 en winter 2014/5. Vanaf het begin is Ben Stuyvenberg als ict-er bij het project betrokken.

In de loop van de tijd zijn onjuistheden en slordigheden gecorrigeerd, opengebleven velden verder ingevuld, en nieuw ontdekte relevante literatuur toegevoegd. Ook werd het aantal zoekmogelijkheden uitgebreid, onder meer met een zoekactie via het identificatienummer. De velden, oorspronkelijk aangeduid met tweeletterige sigla, kregen voluit geschreven benamingen. In september 2012 onderging de Eliminatielijst een forse uitbreiding nadat was gebleken dat kloosters die ten onrechte voorkomen op de Kaart van de Kerkelijke Indeling door Muller, Joosting, Van Veen en Beekman – onderdeel van de Geschiedkundige Atlas van Nederland (1915-1923) – en die reeds door Schoengen al dan niet stilzwijgend naar het rijk der fabelen waren verwezen, toch weer de kop dreigden op te steken.

Bij de herziening van winter 2014/5 werden de records van het hoofdbestand met enkele velden uitgebreid. Tot dan toe was chronologische ordening van de kloosters niet mogelijk. Nu werden de numerieke velden ‘Eerste Vermelding’ en ‘Laatste Vermelding’ toegevoegd, die een dergelijke zoekactie via het zoekmenu wel toelaten. De jaartallen in deze beide velden zijn ongekwalificeerd: voor een toelichting moeten steeds de velden ‘Stadia’ en ‘Beëindiging kloosterleven’ worden geraadpleegd. In het veld ‘MeMO’ wordt verwezen naar de digitale database Medieval Memoria Online, die in januari 2013 werd gelanceerd en de gegevens over de middeleeuwse dodengedachtenis tot 1580 systematisch beschikbaar stelt. Deze database signaleert memorieobjecten en –voorstellingen, en daarnaast ook memorieteksten. Hij bevat bovendien beknopte beschrijvingen van de middeleeuwse kerkelijke instellingen waaruit dit memoriemateriaal afkomstig is; daaronder bevindt zich een 160-tal kloosters. Het in dit nieuwe veld opgenomen nummer verwijst naar die instituties in MeMO. Vandaaruit kan de verbinding met memorieobjecten en –teksten worden gelegd.

Nieuw waren in de winter van 2014/5 ook de foto’s en de gegevens over archeologisch onderzoek. De foto’s hebben de bedoeling de gebruiker te attenderen op overblijfselen van de kloosters die nog in de publieke ruimte zichtbaar zijn. Opgravingen en archeologische waarnemingen hebben in onze middeleeuwse kloosters ook vroeger al wel plaatsgevonden, maar dankzij het Verdrag van Malta (1992) is dit terrein in een stroomversnelling geraakt. Ons beeld van het middeleeuwse kloosterleven wordt er inmiddels sterk door beïnvloed. Met dit onderdeel kon overigens tot op heden slechts een begin worden gemaakt: een taak die wacht is de systematische integratie van gegevens afkomstig uit archivalisch-historisch en uit archeologisch onderzoek.

Herziening zomer 2016

De Kloosterlijst is ontstaan als bijproduct van wetenschappelijk onderzoek naar aspecten van de Nederlandse kloostergeschiedenis. De gebruikers waarop de lijst zich richt zijn in eerste instantie de vakgenoten. Inmiddels is duidelijk geworden dat de Kloosterlijst ook een meer publieke functie kan vervullen. Sinds de zomer van 2015 wordt samengewerkt met het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in Cuijk – Sint Agatha. Onder regie van Marga Arendsen werken medewerkers daar aan een digitaal naslagwerk voor de kloosters in Nederland vanaf 1800. De nu gestarte samenwerking is erop gericht dat naslagwerk uit te breiden met een onderdeel over de Middeleeuwse kloosters dat op de Kloosterlijst is gebaseerd. Toon Smeenk is begonnen de beschrijvingen in de Kloosterlijst aan te passen voor hergebruik in het naslagwerk van ‘Sint Agatha’: dit leidde al tot een een groot aantal correcties en aanvullingen, die in deze herziening van zomer 2016 zijn verwerkt.

In dez nieuwe versie zijn de beschrijvingen met enkele nieuwe velden uitgebreid. Vermeld worden nu de huidige gemeenten, het voorkomen van een klooster op de desbetreffende kaart van Jacob van Deventer, en de opneming in het register van Rijksmonumenten. Aan het veld ‘Stadia’ is een veld ‘Filiatie’ toegevoegd waarin gegevens zijn ondergebracht met betrekking tot de rol van eerder bestaande kloosters in de ontstaansfase van het desbetreffende klooster. De vermelding van opgravingen is nu gesplitst in vier velden: voor plaatsing op de archeologische monumentenlijst, al dan niet beschermde status, archeologische activiteiten en publicaties daarover. De invoering van archeologische gegevens is voortgezet – dank aan Ivonne Lempke te Culemborg, die me welwillend haar gegevens ter beschikking stelde - ; maar dit is een onderdeel dat een nog wat langere adem vergt.

Het principe dat beschrijvingen (pas) worden gesplitst bij discontinuïteit van de kloosterbevolking is systematischer doorgevoerd. Dit had met name gevolgen voor kloosters van franciscanen waar de invoering van de observantie met verdrijving van de oude kloosterbevolking gepaard ging. Een voorbeeld is Kampen: er zijn nu twee lemmata voor de Kamper franciscanen (K01 en K14). Het experiment met een aparte categorie ‘conversinnen van Sint Augustinus’ is teruggedraaid omdat het tot teveel verwarring leidde. Kloosters van deze categorie zijn nu weer ingedeeld bij de regularissen (zie verder de Toelichting bij het gebruik). Er zijn ongeveer honderd nieuwe foto’s toegevoegd. En laatste vernieuwing is de uitbreiding met een apart bestand met (seculiere) kapittels.

Uithoven en refugia, termijnhuizen, kapittels

Sinds de herziening van september 2012 is de Kloosterlijst uitgebreid met enkele nieuwe deelbestanden, een met uithoven en refugia en een met termijnhuizen. Een deel van de verwarring die in de oudere literatuur heerst rond de identificatie van kloosters, is ontstaan doordat vermeldingen van dergelijke onzelfstandige kloosternederzettingen zijn opgevat als aanduidingen voor het bestaan van zelfstandige kloosters: in de eliminatielijst was daarover al het een en ander te vinden. Het lag nu voor de hand aan de Kloosterlijst overzichten van deze afhankelijke monastieke nederzettingen toe te voegen.

Uithoven (ook ‘voorwerken’ genoemd en in het Latijn grangiae) ontstonden met de opkomst van de cisterciënzer en premonstratenzer orden vanaf omstreeks 1100. De kloosters van deze nieuwe orden verwierven veel afgelegen agrarische bezittingen. Waar die geclusterd lagen, was het mogelijk uithoven te stichten: steunpunten voor directe agrarische exploitatie bemand door conversen (lekebroeders). Zie bijvoorbeeld Rösener (1982); Dekker (1982) 191vv; Lohrmann (1983); Mol (1991a) 175vv en Mol (2014 [2015]). Niet zelden groeiden dergelijke uithoven na verloop van tijd uit tot zelfstandige kloosters. Zo is het Duitse huis van Schoten (S16) begonnen als uithof van Nes (N05), zie Mol (1991a) 176; Selwerd (G34) werd gesticht op een uithof van Dikninge (I02): Tromp (1989) 23. Ook het omgekeerde kwam voor. Bakkeveen (B01) begon als uithof van Mariëngaarde (H27), werd toen een zelfstandige priorij van de norbertijnen, maar verloor die zelfstandigheid na 1343 en werd opnieuw uithof van Mariëngaarde.

Grote plattelandskloosters bezaten tevens vaak ‘stadshoven die als stapelplaatsen en verkooppunten dienden’: Mol (1991a) 175; zie ook Van Bavel (1993) 28. Toen tegen het eind van de Middeleeuwen de directe agrarische exploitatie binnen het uithovenstelsel minder belangrijk werd, verschoof de functie van dergelijke stadse vestigingsplaatsen naar die van refugium: een pied-à-terre binnen de veilige stadsmuren.

In het deelbestand met uithoven en refugia zijn ook basisgegevens opgenomen van hoven die zich in het bezit hebben bevonden van oude benedictijner abdijen (zelf gewoonlijk gelegen buiten onze huidige landsgrenzen). Het gaat hier om hoven in de zin van het domaniale stelsel: eenheden van indirecte agrarische exploitatie waaraan ook rechtsmacht verbonden kon zijn. De benedictijnen bewerkten deze hoven dus niet zelf, maar gaven ze in handen van een wereldlijke villicus of meier, die zich in de loop van de tijd ten opzichte van het klooster kon verzelfstandigen. Zie bijvoorbeeld Dekker (1982) 66-80 en (1983) 27-29; 98-126. Na het jaar 1100 raakte dit type in onbruik toen de verre abdijen hun grondbezit in ons land afstootten.

Met het deelbestand van de termijnhuizen bevinden we ons in de sfeer van de bedelorden: franciscanen, dominicanen, karmelieten en augustijner eremieten. De kloosters van deze orden lagen vrijwel altijd in grotere, centraal gelegen steden. Van daar uit trokken de monniken er in de omgeving op uit om te prediken, biecht te horen en te bedelen, waarbij ze zich hielden aan de grenzen van het district dat hun door de ordesprovincie was toegewezen. ‘In zo’n terminus of termijngebied werden na verloop van tijd, in Vlaanderen omstreeks 1300, domus terminarie of termijnhuizen ingericht, soms niet meer dan een paar kamers in een bestaande woning, waar de broeders terminarii konden overnachten. In later eeuwen verbleef zo’n termijnbroeder quasi permanent in zijn termijnhuis’: Simons (1987) 187.

De herziene versie die nu in de lucht gaat kent een nieuw onderdeel: een afzonderlijk bestand met (seculiere) kapittels. Kapittels zijn kerkelijke instellingen bevolkt door mannen – meestal, maar soms ook door vrouwen – die een (min of meer) gemeenschappelijk leven leiden waarin het bidden van de zeven getijden centraal staat, maar die niet de drie kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid afleggen. In plaats daarvan was hun leefwijze gebaseerd op de leefregel van Aken van 814. Kapittels waren vaak aan aanzienlijke kerken verbonden. De term ‘kapittel’ voor dit type instelling raakte overigens pas in de twaalfde eeuw in gebruik. Een synoniem is ‘stift’; de bewoners van zo’n instelling worden aangeduid als ‘kanunniken’ en ‘kanunnikessen’. Het gaat bij deze ‘kapittels’ dus om lokale instellingen, en niet om kapittels in de zin van bovenlokale verbanden van kloosters die tot eenzelfde orde behoren (zoals in ‘Kapittel van Windesheim’).

In de Nederlandse wetenschappelijke literatuur is het gebruikelijk kapittels en kloosters strikt gescheiden te houden, en in de voorafgaande versies van de Kloosterlijst is die gewoonte ook gevolgd. Bij deze herziening is besloten de kapittels toch op te nemen, om twee redenen. In de ons omringende landen, en met name in Duitsland, worden kapittels gewoonlijk wel vermeld in Klosterbücher en vergelijkbare overzichtswerken. Bovendien vonden ook in ons land overgangen van een kerkelijke instelling van het klooster- naar het kapitteltype plaats, en omgekeerd. Zo waren aan de kerk van Meerssen eerst kanunniken verbonden, die echter in de loop van de twaalfde eeuw geleidelijk werden vervangen door benedictijnen (M25). Daarentegen gingen de adellijke benedictinessen van Thorn (T03) in de loop van de tijd steeds meer de leefwijze van stiftsdames volgen. Aan het eind van de rooms-katholieke periode werden de Sint-Servaasabij (U07) en nog vier andere Utrechtse vrouwenkloosters omgezet in vrouwenkapittels, voortaan bewoond door protestantse juffers; zie Van Kalveen (1997). Voor de kapittels in het middeleeuwse bisdom Utrecht is sinds 2014 het uitvoerige repertorium van Jan Kuys beschikbaar. Voor die in het zuiden van het land heb ik gebruik gemaakt van enkele publicaties van Arnoud-Jan Bijsterveld, die ook zo vriendelijk was aanvullend ongepubliceerd materiaal toe te zenden. De beschrijvingen zijn beknopt gehouden. Kapittels speelden een relatief grote rol in de middeleeuwse memoria: niet minder dan vijftig van de ongeveer zeventig kapittels komen voor in MeMO: daarvoor is een apart veld opgenomen.

Foto's

Sinds de herziening van winter 2014/5 worden foto’s toegevoegd aan de beschrijving van die kloosters waarbij nog van enigerlei herkenbaarheid in het openbare domein sprake is. Plaatsen van herinnering aan onze middeleeuwse kloosters zijn er in verschillende soorten. Slechts bij een kleine minderheid van de kloosters staat nog een substantieel deel van de gebouwen overeind. De Abdij van Middelburg (M28) spant hierbij de kroon, ondanks de ingrijpende restauratie die nodig was na het bombardement van 1940. Het treurige andere uiterste wordt gevormd door het klooster van de sepulcrijnen van Hoogcruts (S22), wanneer we even afzien van die kloosters waarvan alleen – al dan niet opgemetselde – fundamenten over zijn, zoals het Sint-Jansklooster (tertianen van Sint-Janskamp) in het Land van Vollenhove (V14). Vaker dan gedacht gaan in monumentale gebouwen uit de Nieuwe Tijd bouwdelen schuil die tot de Middeleeuwen teruggaan. Voorbeelden zijn het Weeshuis aan de Spieringstraat in Gouda, dat resten van het Margarethaklooster van regularissen bevat (G13) en het Rode Weeshuis aan de gelijknamige straat in Groningen, waarin onderdelen van het Oldeconvent (G41) zijn bewaard. De beste kans op overleven hadden de kloosterkapellen, waarvoor vaak een andere bestemming te vinden was. Een voorbeeld is de Agnietenkapel in Amsterdam (A26), die als Universiteitsmuseum dienst doet. Ook bij dergelijke kapellen is de oorspronkelijke vorm vaak moeilijk herkenbaar, als gevolg van functionele aanpassing zoals bij de Begijnhofkerk in Haarlem (H03) of als resultaat van een ingrijpende restauratie, zoals bij de Goudse Agnietenkapel (G20). Een curieus overblijfsel is de waterput van het Agnesconvent van tertiarissen in Oldenzaal (O08), die werd ontdekt naar aanleiding van de bouw van een parkeergarage en die daarin nu is opgenomen. Soms zijn zichtbare overblijfselen te vinden op een andere plek dan men zou verwachten. Het convent van de tertiarissen van Sint-Catharina in Almelo (A15) heeft in die plaats zelf geen sporen nagelaten. Maar toen de religieuzen vandaar in 1667 werden verdreven, herstichtten zij hun klooster als Maria Vlucht op de Glaan juist over de Duitse grens: die plek kan nog worden bezichtigd. Een ander klooster dat voortbestond tot diep in de tijd van de Republiek, is het regularissenklooster Nazareth te Waalwijk. Daarvan is een barok toegangspoortje over, dat nu is ingebouwd in de toren van de imposante parochiekerk van Sint-Jan de Doper (die overigens vrijwel op dezelfde plaats staat).

Vaak is het alleen een straatnaam die aan een voormalig klooster herinnert. Voorbeelden van een ‘Bagijnenstraat’ of ‘Kloosterweg’ zijn legio. Origineler is het Amsterdamse ‘Gebed zonder End’, een doodlopend straatje dat de herinnering aan de tertiarissen van Sint-Clara (A27) bewaart. Soms wordt niet het klooster zelf herdacht, maar een markante kloosteroverste, zoals priorin Machteld van Meteren bij de Delftse norbertinessen van Koningsveld (D02). Een enkele keer is de naam van een klooster verbasterd in een straat- of streeknaam terechtgekomen maar toch welbekend: Bartlehiem (O23). Een recente trend is het levendig houden van de herinnering aan een klooster door er een modern opvolgergebouw naar te vernoemen, zoals de Agnietenburgh in Kampen (K07); hoewel dit ook vroeger al wel voorkwam, zoals het toegangspoortje van het woonzorgcentrum de Beyart in Maastricht (M20) bewijst. Niet zelden zijn het boerderijnamen waarin een klooster voortleeft; een voorbeeld is de Waterlooze Werve op Walcheren, dat naar het voormalige klooster van cisterciënzerinnen (A01) verwijst.

Van een andere categorie zijn de informatiepanelen die op veel plaatsen – vaak onder auspiciën van de ANWB – zijn aangebracht. Een voorbeeld betreft de norbertijnen van Kuzemer (O05). De informatie op dergelijke panelen is wel eens misleidend: zo worden de bewoonsters van het Enkhuizer tertiarissenconvent Sint-Ursula als ‘Ursulinen’ aangeduid (E11; geen foto).

Enkele bijzondere plaatsen van herinnering zijn in de meest recente tijd ingericht. Bij de parochiekerk in Albergen plaatste de Werkgroep St. Antoniusklooster een fraaie bronzen maquette, met toelichting ook in brailleschrift, ter herinnering aan het klooster van regulieren (O15). Opgravingen op het terrein van het regulierenklooster Nieuwlicht te Westerblokker (W20) leidden tot het opmetselen van een poortje waarin een teruggevonden sluitsteen werd verwerkt. Eveneens in Westerblokker werden de stoffelijke resten die bij de opgraving van het Bethlehemklooster van regularissen (W21) te voorschijn kwamen, plechtig herbegraven in een tombe bij de dorpskerk die wordt afgedekt door een beeldengroep.

Dit overzicht eindigt met drie speciale gevallen. Het klooster van de regulieren van Hemsdonk in de Alblasserwaard (B29) werd gesticht op een donk (rivierduin) in het veenlandschap. Het klooster is verdwenen, maar de donk is nog altijd goed te zien. Aan het regulierenklooster Mariënborn of –daal onder Oosterbeek (O11) herinnert niet alleen de naam van het landgoed dat daar nu ligt, maar ook de grafsteen die als tafelblad dienst doet ten gerieve van picknickgasten: De Stenen Tafel. De regularissen van Renkum (R07) hadden hun klooster bij een bedevaartskapel ter ere van Maria. Over hun terrein loopt nu een provinciale weg, maar het beeldje uit de kapel kan nog altijd worden vereerd, in de twintigste-eeuwse kerk van OLV Tenhemelopneming in het dorp Renkum.

De foto’s spreken meestal voor zich; waar nodig is enige toelichting gegeven. De collectie nadert voltooiing: enkele regio’s in Nederland op wat grotere afstand van de Randstad werden nog niet bezocht.

Kloosterkaart

In januari 2016 kwam een proefversie van de Kloosterkaart in de lucht. Deze kaart is gebaseerd op de gegevens in de Kloosterlijst, maar de precieze plaatsbepaling is met behulp van GIS-materiaal verfijnd ten opzichte van de globale aanduiding volgens de coördinaten van de rijksdriehoeksmeting die tot nu toe in de Kloosterlijst waren opgenomen. De Kloosterkaart is vervaardigd onder regie van de Universiteitsbibliotheek van de VU in de persoon van Lida Ruitinga; het programmeerwerk is gedaan door Peter Vos. De kaart is geplaatst op Geoplaza, de door UBVU onderhouden portal voor GIS-gerelateerde bestanden. De gegevens zijn gebaseerd op de bestaande literatuur; voor de noordelijke provincies is ook van HISGIS Fryslân gebruik gemaakt.

In de proefversie van de Kloosterkaart wordt de situatie van ongeveer 1500 weergegeven. Kloosters die al voor die tijd ten onder waren gegaan, staan er dus niet op. De orden worden door aparte iconen weergegeven. Conventen van tertiarissen ontstonden vaak uit zusterhuizen waar geen orderegel werd gevolgd, niet zelden op een ons onbekend tijdstip. In de Kloosterkaart is ervan uitgegaan dat die overgangen midden vijftiende eeuw al hadden plaatsgevonden. Het is de bedoeling de Kloosterkaart diachroon te maken en er ook de Kapittels in op te nemen. Op dit moment zijn Kloosterlijst en Kloosterkaart nog niet geïntegreerd. Vanuit de Kloosterkaart kunnen al wel de records uit de Kloosterlijst worden opgeroepen door te klikken op de icoontjes, maar omgekeerd is er nog geen koppeling vanuit de Kloosterlijst naar de kaart. Aan integratie van de twee wordt gewerkt.

Toelichting op het gebruik

De Kloosterlijst bestaat uit negen onderdelen:

In het hoofdbestand kan tekstueel gezocht worden met behulp van de Titellijst, die rechtstreeks verwijst naar de ruim 700 records, en op de velden ID (=identificatienummer), Parochie, Patroonheilige(n), Alias, Diocees, Provincie, Gender en Stadia (met gebruikmaking van de thesaurus) en op combinaties daarvan. Daarnaast zijn tevens de numerieke zoekvelden Eerste en Laatste Vermelding beschikbaar. Uithoven, refugia en termijnhuizen kunnen worden gevonden met als zoekvraag het klooster waarvan ze afhankelijk zijn of de plaats van deze onzelfstandige instellingen zelf.

Als ijkpunt voor de beschrijving is zoveel mogelijk de situatie van de tweede helft van de vijftiende eeuw aangehouden, de periode waarin het middeleeuwse kloosterleven in ons land zijn hoogtepunt bereikte. Kloosters die van status of van vestigingsplaats zijn veranderd, worden in het zoeksysteem opgenomen volgens de situatie in genoemde periode. Bij de toponiemen is standaard gekozen voor de naam van de parochie, omdat de kerkelijke indeling - anders dan de wereldlijke - vlakdekkend, ondubbelzinnig en stabiel was (in ieder geval aan het eind van de Middeleeuwen). In enkele gevallen betekent dit dat een bekend klooster in de lijst onder een minder bekend toponiem te vinden is: Aduard, bijvoorbeeld, is geplaatst onder Franssum. De Topografische index is aangelegd om dergelijke verschillen te overbruggen. Overigens is een naam als Aduard standaard ook opgenomen in het tekstueel doorzoekbare veld met aliasnamen. In de ruim 700 records van de database is een apart veld gereserveerd voor een verwijzing naar de corresponderende lemmata in het Monasticon Batavum. De afzonderlijke Concordantie van lemmata in het Monasticon Batavum op de identificatienummers van de Kloosterlijst maakt het mogelijk ook de omgekeerde weg te bewandelen. De Bibliografie dient voor alle deelbestanden samen, inclusief de inleiding.

Het volledige Kloosterrecord bevat de volgende velden (op het scherm worden alleen de ingevulde velden getoond)

IDNR: uniek identificatienummer (een letter en twee cijfers)
Foto: toelichting bij de foto waar deze niet vanzelf spreekt
Parochie: zie boven
Coördinaten: volgens het systeem van de Rijksdriehoeksmeting zoals verwerkt in de Grote Topografische Atlas van Nederland 1:50.000; a = linksboven het snijpunt, b = rechtsboven, c = linksonder, d = rechtsonder
Huidige gemeente: de peildatum voor de gemeente-indeling is 1 januari 2015
Patroonheilige: voorzover bekend
Alias: een of meer aliasnamen
Diocees: bedoeld zijn de bisdommen van voor de herindeling in 1559
Provincie: provincie, gewest, land
Gender: m of v
Stadia: de opgave is selectief en maakt geen aanspraak op volledigheid; de bedoeling is dat de gebruiker de geschiedenis van het klooster in grote lijnen kan volgen; de aanvang van veel kloosters ligt in het duister, en de aard van de eerste vermelding (stichting, toelating tot de orde, kapelwijding enzovoort) varieert, zodat hier uniformiteit niet binnen bereik lag; jaartallen met * betreffen het jaar zelf van de veranderingen, jaartallen zonder geven een terminus ante quem; KvUtrecht betekent: lid van het Kapittel van Utrecht; KvWindesheim = geïncorporeerd in het Kapittel van Windesheim, enzovoort; CvSibculo = behorend tot de colligatie van Sibculo. Voor de orde-aanduidingen zie de uitleg van de desbetreffende Thesaurus (onder)
Filiatie: informatie, voorzover beschikbaar, over de betrekking van het klooster tot een of meer al oudere kloosters
Einde kloosterleven: ook deze opgaven zijn van variabele aard en soms bij benadering, afhankelijk van de beschikbare gegevens: incorporatie bij een ander klooster of bij een van de in 1559 ingestelde nieuwe bisdommen, verbod op de katholieke eredienst, opheffing van zelfstandig goederenbeheer, instelling van een alimentatieregeling, afbraak van het klooster; de ‘Ridderlijke Duitsche Orde, Balije Utrecht’ bestaat zelfs tot op de huidige dag, de johannieter orde is na een sluimerend bestaan van 325 jaar in 1909 opnieuw opgericht
Verhalende bronnen (CK): bedoeld is het gedrukte repertorium Carasso-Kok (1981)
Verhalende bronnen (NS): bedoeld is de op het web toegankelijke digitale database Narrative Sources
Handschriften (SV): Middelnederlandse handschriften, zoals geregistreerd door Stooker en Verbeij (1997)
Archivalia: verblijfplaats van archivalia; alleen substantiële fondsen zijn opgenomen
Literatuur: selectie; opgenomen is met name die literatuur die bij de identificatie een rol heeft gespeeld
Derde Orde: concordantie met lijst Derde-Orde-Conventen; zie Goudriaan (1998), Van Engen (2006) en Mon. Traj.
Monasticon Batavum: voor de lemmata in het Monasticon Batavum zie de toelichting hierboven
MeMO: verwijzing naar de database Memoria Online
Van Deventer: voorkomen op de desbetreffende stadsplattegrond van Jacob van Deventer; de getallen tussen [ ] verwijzen naar de toelichting in de editie Koeman, Visser en Van der Krogt (1992-2001)
Rijksmonument: volgens het Monumentenregister onderhouden door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)
Archeologisch monument: volgens het Archeologisch Monumentenregister van de RCE
Archeologische status: beschermd of terrein van (hoge) waarde
Archeologische activiteit: opgravingen, waarnemingen, archeologische begeleiding
Archeologische publicatie: literatuur beschikbaar in het publieke domein; geen interne / voorlopige rapportages
Eerste vermelding: numeriek veld
Laatste vermelding: numeriek veld

Thesaurus voor orde-aanduidingen

Voor de aanduiding van de orden waartoe de kloosters behoorden is de gangbare terminologie gebruikt. Met ‘tertianen’ wordt gedoeld op de mannelijke leden van de derde orde van Franciscus, met ‘tertiarissen’ op de vrouwelijke. Er zijn ook enkele kloosters bewoond door tertiarissen van Sint-Dominicus. In de literatuur komt men nogal eens vrouwenconventen ‘van de derde orde van Augustinus’ tegen. In Goudriaan (2008) wordt betoogd dat een dergelijke orde in ons land in de Middeleeuwen niet heeft bestaan. Het gaat om vrouwenkloosters die de (standaard-)regel van Augustinus volgden, maar waar alleen conversinnen (lekenzusters) aanwezig waren en koorzusters ontbraken. De overkoepelende benaming is in dergelijke gevallen ‘regularissen’. Waar bekend is dat een klooster alleen door conversinnen werd bewoond, is dat in het veld Stadia vermeld: zie bijvoorbeeld G20.

Om zoekacties op orde te kunnen uitvoeren, is in het veld Stadia een thesaurus toegepast, dat wil zeggen een limitatieve reeks toegelaten termen. Het zijn de volgende:

antonieten
augustijner eremieten
begarden
begijnen
bekeerde vrouwen
benedictijnen 
benedictinessen
birgitten
birgittinessen
broeders
broeders des gemenen levens
caulieten
cellebroeders
cellezusters
cisterciënzers
cisterciënzerinnen
clarissen
conversinnen van Sint-Augustinus
dominicanen
dominicanessen
Duitse Orde
eksterbroeders
franciscanen
hospitaalzusters
johannieters
johannieter nonnen
karmelieten
karmelitessen
kartuizers
kruisheren
lazarieten
magdalenen
monialen
norbertijnen
norbertinessen
orde onbekend
priestergemeenschap
regulieren
regularissen
seculiere kanunniken
sepulcrijnen
sepulcrinessen
tempeliers
tertianen
tertiarissen
tertiarissen van Sint-Dominicus
victorinnen
wilhelmieten
zakbroeders
zusters
zusters des gemenen levens

Synoniemen worden in het veld Stadia vermeden. Voor:
alexianen zie cellebroeders
augustinessen zie reguliere kanunnikessen; conversinnen van Sint-Augustinus
bogarden zie begarden
kruisbroeders zie kruisheren
minderbroeders zie franciscanen
observanten zie zie franciscanen
predikheren zie dominicanen
premonstratenzers zie norbertijnen
premonstratenzerinnen zie norbertinessen
reguliere kanunniken zie regulieren
reguliere kanunnikessen zie regularissen

Bookmark and Share